| Zienswijze Ontwerp-Rijksplan |
|
Bureau Energieprojecten Inspraakpunt Windpark Noordoostpolder Postbus 223 2250 AE Voorschoten AANTEKENEN (tevens per gewone post verzonden) Betreft: zienswijzen ontwerpinpassingsplan, MER, aanvulling op MER en 33 ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder
Urk, 27 juli 2010
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij dienen de volgende organisaties en privé-personen zienswijzen in met betrekking tot het ontwerpinpassingsplan, het MER, de aanvulling op het MER en 33 ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder, die sinds 18 juni jongstleden ter inzage liggen:
1. Stichting Erfgoed Urk, gevestigd Vormtweg 20-A, 8321 NC Urk 2. Comité Urk Briest, p.a. Vormtweg 20-A, 8321 NC Urk 3. Mevrouw L. de Vries, wonende Wijk 4-47, 8321 GE Urk 4. De heer L. van Loosen, wonende Vormtweg 20-A, 8321 NC Urk 5. De heer T. Roos, wonende Harderbank 7, 8321 RS Urk
De zienswijzen zijn allemaal in dit ene schrijven opgenomen, dat dan ook eenmalig zal worden ondertekend. Hieronder zullen wij steeds aangeven welk gedeelte van dit schrijven betrekking heeft op welk ter inzage liggend stuk.
Het totale schrijven omvat 18 pagina’s, waaraan twee bijlagen zijn toegevoegd. De pagina’s zijn genummerd. Voor de duidelijkheid laten wij de afzonderlijke zienswijzen steeds op een nieuwe pagina beginnen. Op de laatste pagina (18) volgt de ondertekening.
A. Zienswijze van toepassing op álle ter inzage liggende stukken, betreffende de verstoring van het democratisch inspraakproces
Van 18 juni tot en met 29 juli 2010 liggen het ontwerpinpassingsplan en de ontwerpbesluiten voor Windpark Noordoostpolder ter inzage in Lelystad, Noordoostpolder, Lemsterland en Urk en krijgen omwonenden de gelegenheid een zienswijze in te dienen. De omvang van de plannen, de timing en verwarring over de wijze van indienen maakt het indienen van een zienswijze bijzonder moeilijk. Het democratisch inspraakproces wordt hierdoor ons inziens verstoord. Allereerst behelst de procedure een dermate groot aantal documenten dat het voor een gemiddelde burger uitermate moeilijk is om deze door te lezen, laat staan hier zorgvuldig commentaar op te geven. Dit is te wijten aan het feit dat zowel het ontwerpinpassingsplan als het (aanvullend) Milieueffectrapport (MER) en een groot aantal vergunningen gelijktijdig ter inzage liggen. Ten tweede is de timing zeer ongelukkig. In deze regio begonnen de schoolvakanties op 10 juli. Dit betekent dat de stukken gedeeltelijk tijdens de zomervakantie ter inzage liggen. Dit tijdstip maakte het voor veel omwonenden uiterst moeilijk om te reageren. Ten derde is verwarring ontstaan over de mogelijkheden van het indienen van zienswijzen bij het Bureau Energieprojecten. Aan de Stichting Erfgoed Urk was in eerste instantie telefonisch door medewerker Els Witsenburg medegedeeld dat de zienswijzen per e-mail konden worden verstuurd naar Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. . Voorzitter Leen van Loosen heeft vervolgens op 9 juli een test-e-mail naar dit adres gestuurd, waarvan de ontvangst door mevrouw Witsenburg is bevestigd. Nadat plaatselijk nieuwsblad Het Urkerland een bericht over het indienen van zienswijzen publiceerde, ontving Comité Urk Briest op 15 juli een email van Cynthia Mors waarin zij liet weten dat de zienswijzen alleen per brief en telefoon konden worden ingediend. Zie voor een overzicht van dit e-mailverkeer BIJLAGE 1. Tevens bleek dat de postbus van het Bureau Energieprojecten dat tijdens de MER inspraakronde was gebruikt (Postbus 304 in Voorburg) niet langer beschikbaar was. Omwonenden die hun eerdere zienswijze ten aanzien van de MER als opzet voor een nieuwe zienswijze ten aanzien van de huidige procedure gebruikten, kregen hun brief teruggestuurd. Ons inziens is het onjuist om tijdens een lopende procedure het postadres voor inspraakreacties te wijzigen. Al deze zaken in acht nemende menen wij dat het Bureau Energieprojecten de mogelijkheden tot inspraak door omwonenden en andere belanghebbenden ernstig heeft belemmerd.
Resumerend: op grond van het bovenstaande verzoeken wij u de periode van terinzagelegging te verlengen met bij voorkeur 6 weken, met een duidelijke vermelding dat het postadres van het Bureau Energieprojecten in vergelijking met de MER-inspraakronde is gewijzigd.
B. Zienswijze van toepassing op het Milieueffectrapport inclusief de aanvulling hierop en het toetsingsadvies van de Commissie MER
Deze zienswijze betreft de volgende punten. 1.locatie 2. cultuurhistorie en landschap 3. aardkundige waarden 4. veiligheid 4.1 stabiliteit van de dijken 4.2 veiligheid fietspaden op de dijken 4.3 veiligheid scheepvaart 4.4 milieugevolgen van een aanvaring 5. economie 5.1 beroepsvaart en visserij 5.2 toerisme en waterrecreatie 5.3 uitbreidingsmogelijkheden gemeente Urk beperkt 5.4 waardedaling huizen 5.5 nieuwe werkgelegenheid 6. beleving en draagvlak 7. geluidsoverlast 8. lichtvervuiling 9. nut omstreden Hieronder lichten wij deze punten toe.
Ad 1: locatie De uitgevoerde onderzoeken zoals in het MER weergegeven beperken zich tot alternatieven in het IJsselmeergebied en alternatieven in de Noordoostpolder. Het Windpark Noordoostpolder wordt echter van nationaal belang geacht. Ons inziens dient dan ook op nationale schaal een afweging te worden gemaakt van mogelijke alternatieve locaties. Dit is niet gebeurd. Wij zijn tevens van mening dat de argumenten om binnen het IJsselmeergebied te kiezen voor de locatie van Noordoostpolder onvoldoende hout snijden. Ons is niet gebleken dat er een zorgvuldige afweging van redelijke alternatieven heeft plaatsgevonden. Groot bezwaar tegen de onderbouwing van de locatiekeuze is dat er gebruik wordt gemaakt van een doelredenering. Het plan voor een windpark was er al (bedacht door gemeente Noordoostpolder) en door het Rijk is hier bij aangesloten. Echter bij de oorspronkelijke locatiekeuze zijn maar een beperkt aantal aspecten meegewogen, namelijk die aspecten die voor de gemeente Noordoostpolder van belang waren. De belangen van Urk werden niet meegewogen. Recent zijn de plannen enigszins gewijzigd, waarbij met name het schrappen van 7 windmolens te noorden van Urk opvalt. Daar staat tegenover dat de molens ten zuiden van Urk nu hoger mogen worden. Deze minimale aanpassing is in onze ogen een belediging voor de Urker gemeenschap, die bij herhaling bij betrokken overheden met gefundeerde kritiek op de plannen is gekomen. Ook wordt de Tweede Kamer geschoffeerd, die in de Motie Zijlstra erop heeft aangedrongen dat met de belangen van Urk terdege rekening dient te worden gehouden.
Ad 2: cultuurhistorie en landschap Volgens het MER zijn de effecten op cultuurhistorie en archeologie beperkt. Deze uitspraak wordt niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het beschermd dorpsgezicht van Urk wordt in paragraaf 5.6 van het Algemeen Deel met enkele korte zinsneden afgedaan. Louter met als argument dat de bescherming zich beperkt tot het dorp Urk en niet tot de omgeving. Naar de letter van de wet is dat wellicht correct, echter, vanaf het water wordt het dorpsgezicht van Urk dramatisch aangetast en het uitzicht vanaf Urk over het open water gaat richting het noorden en noordwesten ook verloren. Dat minister Plasterk zijn collega’s van EZ en VROM heeft gevraagd bijzonder alert te zijn op de gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, ook buiten het directe plangebied, en die ten volle mee te wegen (brief Plasterk aan B&W van Urk d.d. 7 april 2009) heeft bij de opstelling van het MER kennelijk geen enkele rol gespeeld. Omstandig wordt in dezelfde paragraaf uitgelegd wat de grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is (beleidsmatig beschermd door Nota Belvedere, Omgevingsplan Flevoland en Kwaliteitskaart Noordoostpolder-Urk). Het MER stelt dat windturbines invloed hebben op de relatie tussen lijnen en landschappelijke structuren en de ruimtelijke kwaliteit (paragraaf 5.6.2). Kennelijk wordt bedoeld: negatieve invloed. Hoe die moet worden beperkt wordt niet duidelijk. Slechts wordt gesteld dat de initiatiefnemers van het windpark ‘op creatieve wijze’ inhoud willen geven aan ‘behoud door ontwikkeling’, zoals Belvedere vereist. Wij vinden dit verbijsterend. Een grote onderlinge afstand tussen de molens heeft volgens het MER de voorkeur want dat heeft de minste invloed op de openheid van het polderlandschap (paragraaf 4.5.2). Ook dit is ons inziens een niet onderbouwde suggestie, die strijdig is met gewoon boerenverstand. Het MER erkent dat het om een veronderstelling gaat, waarover de meningen kunnen verschillen. Video-animatie moet een betere indicatie geven, echter deze is niet overtuigend. Het MER lijkt zelf al te twijfelen, want, zo lezen wij, “als de windturbines dichter bij elkaar staan hebben ze meer een begrenzend effect in de beleving” (Korte Samenvatting blz. 12). In gewoon Nederlands betekent dit volgens ons dat het dan echt een hek lijkt waar je achter woont. Maar wie garandeert ons dat wij dat gevoel straks niet hebben, bij de grotere afstand? Wij willen dat graag met onafhankelijk onderzoek onderbouwd zien. Ook andere uitspraken worden niet onderbouwd, zoals de stelling dat het verschil in hoogte tussen de diverse typen molens nauwelijks waar te nemen is en de stelling dat grotere molens doordat ze langzamer draaien visueel een rustiger beeld geven. Voor zo’n stelling zul je toch onderzoeksgegevens moeten overleggen en voor zover die er al zijn, zijn ze aanvechtbaar omdat een park van deze omvang en dit type enorme molens nog nergens bestaat. Wat betreft de visualisaties, deze geven ons inziens een gekleurd en daarmee onwaarachtig beeld. Zo is gebruik gemaakt van gestileerde vormgeving van de molens, in plaats van de feitelijke vormgeving die wij in de omgeving van Emden met eigen ogen hebben waargenomen. Ook is het landschap gefotografeerd met een groothoeklens, die een sterk verkleinend effect heeft ten opzichte van de fysieke waarneming vanaf hetzelfde gezichtspunt. Verder ontbreken gezichtshoeken die het duidelijkst de impact van de turbines op Urk laten zien.
Ad 3: aardkundige waarden Speciale aandacht vragen wij voor de aardkundige waarden (Algemeen Deel paragraaf 5.6.4). Het MER neemt het IJsselmeer niet mee, omdat dit niet is aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Het is echter bij alle geologen bekend, en het zou dus ook bij de opstellers van het MER bekend moeten zijn, dat buitendijks een grote voortzetting ligt van het (wél genoemde) geologisch reservaat P. van der Lijn. Dit reservaat is van zeer grote, internationale waarde. De buitendijkse voortzetting, de Vormt genoemd, is al sinds de Middeleeuwen bij de scheepvaart berucht als steenrif door de enorme eindmorene-keien die hier liggen. Weliswaar stelt de Commissie MER in haar toetsingsadvies van 24 maart 2010 dat de windmolens niet op de Vormt worden gebouwd, maar deze uitspraak is niet verifieerbaar aan de hand van kaartmateriaal of coördinaten. Bovendien blijft, ook als geen molens op de Vormt worden gebouwd, de vraag of de aardkundige waarden van de Vormt schade zullen ondervinden van bouwactiviteiten of gewijzigde waterstromen nadat het windpark eenmaal is gerealiseerd.
Ad 4: veiligheid De veiligheid van 60.000 inwoners van de gemeenten Noordoostpolder, Urk en Lemsterland is onvoldoende gewaarborgd. Het MER kan namelijk niet garanderen dat de polderdijken stabiel en op sterkte blijven. Indieners van deze zienswijze pleiten voor aanvullend, onafhankelijk onderzoek naar de effecten van de geplande molens op de dijken in zowel de bouw- als de gebruiksfase. Verder dient de veiligheid van fietsers, die gebruik maken van de (opengestelde) inspectiepaden op de dijken, te worden gegarandeerd. Ook de gevaren voor de scheepvaart, en de risico’s voor het milieu bij onverhoopte aanvaringen van schepen met windmolens, worden in het MER gebagatelliseerd dan wel in het geheel niet genoemd. Hieronder zullen wij onze kritiek op deze onderdelen verder toelichten.
4.1 Stabiliteit van de dijken Het MER geeft onvoldoende garanties dat het Windpark in de bouwfase én in de gebruiksfase de stabiliteit van de dijken van de Noordoostpolder niet in gevaar brengt. Zestigduizend inwoners van de gemeenten Noordoostpolder, Urk en Lemsterland wonen beneden het IJsselmeerpeil. Met de veiligheid van deze mensen mag niet gesold worden, om nog niet te spreken van de enorme economische schade die zou ontstaan bij een onverhoopte dijkdoorbraak. Dat deze vrees reëel is, staat buiten kijf. Niet voor niets maakt ook het Waterschap Zuiderzeeland zich grote zorgen over de stabiliteit van de polderdijken. Het Waterschap heeft nieuw beleid op dit terrein in ontwikkeling. Daarin zal het bouwen van windturbines nabij de polderdijken verboden worden, vanwege negatieve ervaringen in de afgelopen jaren. Volgens het Waterschap is steeds duidelijker is geworden dat windturbines zowel in de bouwfase, de gebruiksfase als de sloopfase grote risico’s voor de stabiliteit van de polderdijken met zich meebrengen. Zo is er volgens het Waterschap kans op schade aan het dijklichaam, verzakking van de dijk, extra kwel, erosie, bemoeilijken van noodmaatregelen aan de kering in geval van een calamiteit, bemoeilijken van beheer en onderhoud aan dijkdrainage en nog diverse andere risico’s. Voor ons is dat voldoende reden om te stellen dat windmolens bij waterkeringen een ernstige bedreiging zijn voor de veiligheid van de inwoners van Flevoland. In het MER van het Windpark Noordoostpolder wordt slechts summier op de veiligheidsrisico’s ingegaan. Paragraaf 9.14 rept wél over mogelijke effecten op de dijk, die zouden zijn onderzocht, met verwijzing naar bijlage F. Onder voorbehoud van incidenten zou er geen effect zijn. Echter, bestudering van bijlage F leert dat er met name tijdens de bouwfase wel degelijk grote risico’s bestaan voor enorme toename van kwelstromen, waardoor zelfs verdroging van het dijklichaam dreigt. In paragraaf 11.2 wordt aangegeven dat de initiatiefnemers tijdens de bouw trillingen willen monitoren. Vooraf wordt dus niets gedaan? En wat gebeurt er dan als er iets mis gaat? En hoe zit het met trillingen in de gebruiksfase? Worden die ook gemeten? Vanwege deze verschillende interpretatie van kennelijk hetzelfde vooronderzoek zijn wij van mening dat er onvoldoende garanties zijn dat het Windpark geen nadelig effect heeft op de stabiliteit van de dijken van de Noordoostpolder, zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase. De heer P. Bakker uit Urk, betrokken bij de bouw van de windmolens langs de dijk tussen de Flevocentrale en de Ketelburg, heeft ons gemeld dat de werkzaamheden tijdens de bouw van dat park diverse keren werden stilgelegd om de dijk de rust te geven om te kunnen stabiliseren. De heer Bakker was destijds sitemanager en heeft dit alles van dichtbij meegemaakt. Tijdens het heien en het storten van de solid floor kwam zoveel kwelwater door de dijk heen dat doorlopend gepompt moest worden. Zelfs weken later was het dijklichaam naast het werkpad niet berijdbaar. Het Waterschap bepaalt in zijn nieuwe beleid dat de plaatsing van nieuwe windmolens op en nabij de primaire waterkeringen niet is toegestaan. Reden daarvoor is onder meer dat beheerervaringen met windmolens in het afgelopen decennium het waterschap gesterkt hebben in het vermoeden dat er een verband bestaat tussen windmolens en de conditie van de waterkering. Dit betekent dat windmolens die eerder op en nabij de Flevolandse dijken zijn gebouwd, de dijken hebben verzwakt. Het nieuwe windmolenbeleid van de provincie Flevoland is voor het Waterschap een schrikbeeld, omdat nieuwe windmolens groter en zwaarder zullen worden. In het nieuwe beleid stelt het Waterschap: plaatsing van deze nieuwe, zwaardere windmolens op of nabij de primaire waterkeringen is vanuit veiligheid en de mogelijkheid tot het kunnen anticiperen op toekomstige ontwikkelingen (verhoging peil IJsselmeer wegens stijging zeespiegel; indieners zienswijze) niet wenselijk. Het is zeer merkwaardig dat het Waterschap keurontheffingen die zijn verleend voordat de nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld, buiten schot wil laten. Deze blijven onder de in de ontheffing vermelde voorwaarden van kracht. Hieronder valt ook het Windpark Noordoostpolder. Comité Urk Briest en Stichting Erfgoed Urk hebben daartegen bij het Waterschap ernstig geprotesteerd. In dit verband merken wij op dat de grootte van de turbines die nabij de westelijke dijken van de Noordoostpolder zijn gepland, thans veel groter is dan enkele jaren geleden. De grootste turbines krijgen een masthoogte van 135 meter en een tiphoogte van bijna 200 meter. Met turbines van deze reusachtige omvang bestaat in Nederland geen enkele ervaring. Daarom is niet goed in te schatten hoe ernstig de risico’s van deze turbines voor de waterkeringen zijn. Het Waterschap heeft nadat de keurontheffingen voor het ‘Windpark Noordoostpolder’ waren verleend, negatieve ervaringen opgedaan met (veel kleinere) molens nabij de Flevolandse waterkeringen. Ons inziens zal nieuw, onafhankelijk onderzoek moeten aantonen dat de bouw en het in gebruik zijn van die molens geen risico’s voor de waterkeringen met zich meebrengt. Wij denken met enige vrees terug aan de dijkversterking die enkele jaren geleden werd uitgevoerd. Het werk aan de Noordermeerdijk ter hoogte van Rutten heeft toen maandenlang stilgelegen, omdat het dijklichaam dreigde te verzakken als gevolg van grondtransport over de dijk. Ook willen wij enkele gevaarlijke momenten tijdens werkzaamheden bij de dijkversterking nabij gemaal Vissering te Urk in herinnering roepen. Tijdens het trillen van damwand langs de verkeersweg ontstond plotseling een gat in de weg, die ter plaatse over het dijklichaam loopt. Even bestond zelfs vrees voor een dijkdoorbraak. Omstreeks dezelfde tijd zakte ook één van de havendammen van Urk, nabij het gemaal , plotseling in toen daar een kraan over reed. Het duurde maanden voordat de schade was hersteld. In de Noordoostpolderdijken zitten verschillende zwakken plekken. Deze plekken, met een slappe ondergrond, liggen vaak ter hoogte van oude stroomgeulen uit de Zuiderzee-periode. Gelet op dit alles, houden wij ons hart vast als straks over de hele lengte van de Noordermeerdijk en Westermeerdijk alsmede een deel van de Zuidermeerdijk intensief geheid gaat worden in de directe omgeving van het dijklichaam. Ook zullen zware machines, vrachtauto’s met beton, heipalen en onderdelen van de gigantische turbines, over de dijken rijden. Als de dijk hierdoor instabiel zou worden, zijn de gevolgen niet te overzien.
4.2 Veiligheid fietspaden op de dijken Een ander aspect is dat de paden op de dijken niet alleen voor onderhoud in gebruik zijn, maar zijn ook als recreatief fietspad. Dit aspect wordt in het MER niet genoemd. Blijven deze fietspaden open voor het publiek? En is de veiligheid van het publiek op die fietspaden gewaarborgd? Wij denken hierbij aan calamiteiten, zoals het afbreken van wieken of het ontstaan van brand in gondels.
4.3 Veiligheid scheepvaart Volgens het MER is er geen gevaar voor de scheepvaart (binnenvaart/recreatie) en andersom leveren deze ook geen gevaar voor de turbines op. Deze stelling wordt in paragraaf 9.15 onvoldoende onderbouwd. Zo wordt bijvoorbeeld benadrukt dat geen informatie voorhanden is om de kans op het uit de koers raken van een schip te bepalen. De gevolgen van mogelijke aanvaringen worden gebagatelliseerd, waarbij slechts ingegaan wordt op fysieke schade aan molens, schip en personeel. De mogelijke gevolgen voor het milieu worden niet genoemd. Wat te denken van een olieramp op het IJsselmeer? Verder wordt niet ingegaan op de veiligheid voor vissersschepen. Dit is een vorm van beroepsvaart die op de geplande locaties intensief wordt bedreven. IJsselmeerkotters opereren tot vlak onder de kust. Ook de Commissie MER is van mening dat de MER de risico’s voor de scheepvaartveiligheid niet goed in beeld brengt. Volgens haar toetsingsadvies is de in de MER gehanteerde berekeningsmethodiek voor de scheepvaartveiligheid niet bruikbaar. Tot onze verbijstering komt de commissie vervolgens zelf met een niet onderbouwde aanname, namelijk dat bij benadering eens in de tien jaar een schip uit de vaargeul raakt en daarbij in aanraking komt met een windturbine. Zij adviseert om deze aanvaringskans mee te nemen in de besluitvorming. Wij constateren verder dat het MER geen rekening houdt met het effect van de lichtbundel van de Urker vuurtoren, die een bereik heeft van 31 kilometer. Zodra deze bundel op de windmolens valt, zal dat leiden tot slagschaduw en mogelijk een levensgevaarlijke situatie voor de scheepvaart in de vlakbij liggende vaargeul. Ook in het zonlicht veroorzaken de molens slagschaduw, die voor de scheepvaart zeer hinderlijk kan zijn. Vooral bij laagstaande zon ligt er een langgerekte schaduw over het IJsselmeer.
4.4 Milieugevolgen van een aanvaring Het IJsselmeer is niet alleen een groot natuurgebied, maar ook zeer belangrijk voor de drinkwatervoorziening van een groot deel van Nederland. De risico’s de het windpark op dit terrein met zich mee zal brengen, worden naar onze mening in de plannen zwaar onderschat. Het MER geeft een beschrijving van de gevolgen van een aanvaring van een schip met een windturbine. Deze beschrijving beperkt zich echter tot mogelijke gevolgen voor de turbine (zoals beschadigen, knikken) en het schip en haar bemanning (zinken/stranden). De mogelijke daaruit voortvloeiende effecten(of schade) op het milieu door het vrijkomen van de lading in het IJsselmeer zijn niet beschreven. In de aanvulling is geen nadere informatie gegeven over mogelijke ‘vervolg-effecten’. De Commissie MER wijst er in haar toetsingsadvies op dat in 2002 ongeveer 10% van de vervoerde lading per schip op het IJsselmeer bestond uit brandstof en andere gevaarlijke stoffen. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is een dubbele bodem verplicht. Voor brandstoffen geldt deze verplichting vanaf 2018. De Commissie acht de mogelijkheid van lekkage van milieuverontreinigende stoffen in het IJsselmeer dan ook zeer wel aanwezig, met name in het geval een schip met een dergelijke lading een enkele bodem heeft en bij stranding deze bodem openscheurt, dan wel in het geval een schip een dermate harde aanvaring heeft met een windturbine, dat de windturbine knikt en op het schip valt. De Commissie adviseert om bij de besluitvorming stil te staan bij de aanvaringsrisico’s (‘vervolg-effecten’) voor de natuur en de drinkwatervoorziening. De Commissie acht een uitgebreide studie naar deze risico’s niet zinvol omdat er te weinig gegevens beschikbaar zouden zijn om deze goed uit te kunnen voeren. Wat ons betreft zou dat reden moeten zijn om de risico’s te mijden. Echter, tot onze verbijstering adviseert de Commissie slechts om na te denken over preventieve maatregelen, zoals het ‘schoonhouden’ van de onderkant van de windturbines, oftewel geen uitsteeksels aan te brengen zoals een trap, en in contact te treden met de betreffende bevoegde instanties (waaronder Rijkswaterstaat en de Provincie Flevoland) over een eventueel op te stellen Calamiteitenplan (onderstreping door indieners zienswijze).
Conclusie t.a.v. veiligheid: Ondergetekende indieners van deze zienswijze concluderen dat het windpark een serieus gevaar oplevert voor zowel de polderdijken als de scheepvaart én het milieu én de drinkwatervoorziening. Dit alles zou reden moeten zijn om het plan tegen te houden dan wel drastisch aan te passen.
Ad 5: economie Volgens het MER is het plan gunstig voor de economie, gelet op vereist onderhoud van het park en mogelijke participatie van de bevolking. Echter, de negatieve economische effecten worden in het geheel niet genoemd, zoals gevolgen voor watertoerisme en visserij. Slechts wordt gesteld dat daarop naar verwachting geen negatief effect is. Elke onderbouwing in dit verband ontbreekt.
5.1 Beroepsvaart en visserij Voor de Urker gemeenschap is de vraag wat een park vlak langs de vaargeul betekent voor de verdere ontwikkelingsmogelijkheden van de binnenvaart, die op Urk de laatste decennia een belangrijke bedrijfstak is geworden. Verwarrend is ook dat in paragraaf 11.2 (tabel 11.2) wordt aangegeven dat uit het oogpunt van nautische veiligheid de beroepsvaart verplicht wordt om gebruik te maken van de vaargeul, of de buitenzijde van de vaargeul (niet de kant van de windmolens). De recreatievaart mag ook niet tussen de windmolens doorvaren. Geldt dit ook voor de visserij? Zo ja, dan missen de IJsselmeervissers hun belangrijkste visgronden. Dat het MER in het Algemeen Deel onder paragraaf 12.2.8 (leemten in kennis) stelt dat geen cijfers over visvangsten op locaties beschikbaar zij, kan geen argument zijn. Dan moet men beter onderzoek doen, bijvoorbeeld door de IJsselmeervissers te enquêteren. Tijdens de bouw zal in de gehele omgeving de vis in het meest gunstige geval worden verjaagd. In het meest ongunstige geval zal een dodelijke zone rondom de werkzaamheden worden gecreëerd. Een Amerikaans onderzoek uit 2001 heeft namelijk aangetoond dat vissen in een ruime straal rondom de bouwwerkzaamheden sterven als gevolg van de trillingen en geluid. Soortgelijk onderzoek is op de Noordzee uitgevoerd, bij de bouw van windparken op zee. Wij verzoeken u aanvullend onderzoek uit te voeren naar de impact van de bouw van het windpark op de IJsselmeervisserij.
5.2 Toerisme en waterrecreatie In het MER wordt gesteld dat er geen gevallen bekend zijn dat waarbij de ontwikkeling van een windpark leidt tot de afname van het aantal toeristen. In veel gevallen zou zelfs sprake zijn van een toename. De aannames worden echter onvoldoende onderbouwd. Het is niet duidelijk op basis van welke rapporten deze aannames worden gedaan en evenmin of deze rapporten toepasbaar zijn op de situatie bij Urk. De voorbeelden die in het MER worden aangehaald, namelijk het windpark bij de Deense stad Nysted en het Deense offshorepark HornsREV, zijn geplaatst op een afstand van respectievelijk 10 kilometer van Nysted en 15 kilometer van de Deense kust. Voor ons is duidelijk dat geen gevallen bekend zijn waarbij een windpark met de omvang van Windpark Noordoostpolder zo dicht bij een historisch dorp is geplaatst. Toerisme is in toenemende mate een belangrijke inkomstenbron voor de Urker bevolking. In de afgelopen decennia is veel geïnvesteerd in de renovatie van de oude dorpskern, die sinds 2007 als beschermd dorpsgezicht is aangewezen. Toeristen geven aan naar Urk komen voor het authentieke dorpsgezicht en de cultuur. Ook waterrecreatie is een essentieel onderdeel van de toeristische ontwikkeling van Urk. Echter, wie wil straks nog op het water bij Urk recreëren als dat gedomineerd wordt door ‘Euromasten’? De provincie Flevoland gaf in 2006 in haar omgevingsplan aan bezorgd te zijn over de economische ontwikkelingen in Urk; ontwikkeling van de toeristische sector wordt als prioriteit beschouwd. Ook in de structuurvisie van de gemeente Urk is te lezen dat Urk een sterk recreatief-toeristisch potentieel bevat dat verder uitgebreid moet worden. Nu al is echter duidelijk dat het windturbinepark de horizon sterk zal vervuilen terwijl ook geluidsoverlast te vrezen valt. Doordat aan beide zijden van Urk windmolens zullen worden neergezet zal Urk als aanlegplaats voor watersportrecreatie zijn aantrekkelijkheid verliezen. De overtuiging dat het windmolenpark schadelijk is voor de toeristische en recreatieve waarde van een gebied wordt overigens kennelijk gedeeld door de gemeente Noordoostpolder. Deze maakte in 2006 namelijk zelf bezwaar tegen de bouw van windmolens in de gemeente Steenwijkerland, omdat dat de toeristische waarde van oosten van de Noordoostpolder zou bedreigen.
5.4 Waardedaling huizen De afgelopen jaren heeft de Raad van State in een relatief korte periode planken vol met jurisprudentie gecreëerd over de vermindering van huizenprijzen na komst van windmolens. Deze daling kan zelfs tot 50% zijn. In Urk, met ruim 18.000 inwoners verdeeld over 5000 huishoudens, zou dit rampzalige gevolgen kunnen hebben. Urk zou verder geïsoleerd worden met geen mogelijkheid tot interactie met de naburige gemeente waar de daling in huizenprijzen niet optreedt. Afgezien van het feit dat ons woongenot wordt verstoord, zijn wij ook bang dat de waarde van onze woningen aanzienlijk zal dalen. Een van de charmes van een woning in het oude dorp is dat het zo dicht bij het IJsselmeer staat. Als het uitzicht wordt verpest, zal de waarde van de woning dientengevolge dalen.
In het MER wordt economie direct gekoppeld aan werkgelegenheid. Het is onduidelijk hoe het windmolenpark een significant goede invloed kan hebben op de werkgelegenheid in de buurt. Daarbij is het opmerkelijk dat het MER spreekt over inwoners van de Noordoostpolder als omwonenden terwijl Urk beduidend dichter bij de windmolens ligt dan de meeste dorpen van de Noordoostpolder. Het MER heeft derhalve een te beperkt begrip van omwonenden gehanteerd. Wanneer de Urker bevolking wel zou worden gerekend tot omwonenden blijft de invloed op de werkgelegenheid nog steeds onduidelijk. De windmolens komen namelijk in eigendom van verschillende partijen. Deze partijen zijn voornamelijk (inter)nationale bedrijven die het werk naar eigen inzicht kunnen gunnen. De kansen voor een Urker bouwbedrijf voor zo’n opdracht zijn nagenoeg nihil. Vervolgens stelt het MER dat er na de bouw ook nog sprake zal zijn van nieuwe werkgelegenheid. Een eerste indicatie van de fabrikant geeft echter een additionele werkgelegenheid van vijf personen per jaar aan. Wanneer dit aantal wordt afgezet tegen het verlies aan banen in visserij en toerisme kan absoluut niet gesproken worden over een toenemende werkgelegenheid.
Ad 6: beleving en draagvlak Het MER maakt geen melding van de beleving van een windpark van dergelijk formaat door omwonenden, noch van het maatschappelijke draagvlak onder inwoners van de gemeente Urk. Dit beschouwen wij als een ernstige omissie. Wij achten een onafhankelijk onderzoek naar het draagvlak onder en de invloed van Windpark Noordoostpolder op de beleving van de Urker bevolking van groot belang. Windmolens, met name turbines hoger dan 100 meter, kunnen als industriële bouwwerken worden beschouwd. De turbines die gepland zijn voor Windpark Noordoostpolder worden met een tiphoogte van bijna 200 meter de hoogste bouwwerken van Nederland. De turbines zullen het landschap aan de oostkant van het IJsselmeer onherkenbaar veranderen. Ze zullen het vlakke landschap geheel domineren waardoor de relatie van omwonenden met het polderlandschap en het water ingrijpend zal veranderen. Met name dat laatste zal ingrijpende gevolgen hebben voor de Urker bevolking, welke traditioneel gezien een sterke relatie met het water heeft. Het weidse zicht op het IJsselmeer, dat door vrijwel alle Urkers als uitermate belangrijk wordt beschouwd, zal tot het verleden behoren. Verwacht mag worden dat de Urkers de turbines aan weerszijden van het dorp als een ernstige verstoring van woon- en leefgenot zullen beschouwen.
Ad 7: geluidsoverlast Als omwonenden maken wij ons ernstig zorgen over de geluidsoverlast die het Windpark Noordoostpolder mogelijk tot gevolg zal hebben. De MER loopt vooruit op nieuwe regelgeving, die de geluidsnorm voor windmolens verruimt. Ons inziens dient de MER echter uit te gaan van de vigerende wetgeving.
Ad 8: lichtvervuiling Windpark Noordoostpolder is gepland in een van Nederlands weinige donkere gebieden, het IJsselmeer. Lichtvervuiling is in toenemende mate een probleem in Nederland. Het overvloedig verlichten van allerhande plaatsen veroorzaakt ecologische schade. Nachtverlichting, zoals verlichting van snelwegen en straten, gebouwen, objecten en assimilatieverlichting in de glastuinbouw, kan het biologische dag- en nachtritme van mensen en dieren verstoren. Planten worden beïnvloed in hun groeiwijze. Ook astronomische waarnemingen worden erdoor bemoeilijkt. De Nederlandse nacht wordt elk jaar drie tot vijf procent lichter. Echte duisternis is bijna niet meer te vinden in Nederland. Lichtvervuiling ontneemt bijna de helft van de Nederlanders het zicht op de sterrenhemel en nachtdieren raken in de war van de lichte nachten. Nederland is inmiddels één van de meest verlichte landen ter wereld. Het IJsselmeer is het donkere hart van Nederland. Nergens vindt men in Nederland zo’n groots, open, donker en stil landschap, zonder storende elementen. Als het windmolenpark af is, worden ’s nachts de knipperende lichten op de toppen het meest in het oog vallende element, te zien op 40-50 km afstand, oftewel rondom het IJsselmeer. Na ingebruikstelling van het Windpark zullen omwonenden en waterrecreanten niet langer de sterrenhemel kunnen zien. De heldere hemels waar het IJsselmeer om bekend staat zullen tot het verleden behoren. Mogelijk wordt het bioritme van omwonenden verstoord door de aanwezigheid van knipperlichten bovenop de windturbines. Nachtdieren zullen in de war raken. Met name vleermuizen zullen gedesoriënteerd raken. Verschillende waarnemingen en anekdotisch bewijs suggereren dat licht een belangrijke verstoringsbron kan zijn langs bestaande vliegroutes. Verlichting die wordt geplaatst nabij vliegroutes kan de connectiviteit van een netwerk aantasten. Deze verstorende effecten traden al op bij lage waarden van lichtintensiteit die slechts iets boven natuurlijke waarden van lichtintensiteit ’s nachts lagen. Dit suggereert dat meervleermuizen erg gevoelig zijn voor verhoogde waarden van lichtintensiteit (Bron: Dries P.J. Kuijper, Jasper Schut, Diederik van Dullemen, Hanne Toorman, Noreen Goossens, Janne Ouwehand & Herman J.G.A. Limpens, 2008. Experimental evidence of light disturbance along the commuting routes of pond bats (Myotis dasycneme), gepubliceerd in Lutra 51(1).) Ondanks de zienswijze die wij indienden tegen het MER noemt de Aanvullende MER geen gegevens over de mate van lichtvervuiling die het windpark zal opleveren.
Ad 9: nut omstreden Onder wetenschappers is het nut van windenergie omstreden. Toch blijft de overheid vasthouden aan een plan dat slechts 0,1% bijdraagt aan onze totale nationale energiebehoefte. Uit de SDE-regeling wordt voor het windpark Noordoostpolder een subsidiebedrag van maximaal 880 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de looptijd van 15 jaar. Daarbovenop komt een investeringssubsidie vanwege het "innovatieve" karakter van het park van minimaal 104 miljoen euro en maximaal 116 miljoen euro. Wij achten dit bedrag disproportioneel en zijn zeer verontrust dat wij als belastingbetalers in een dergelijke mate moeten bijdragen aan een windpark dat wij als een grote aantasting van ons leefmilieu beschouwen en waarvan de opbrengst omstreden is. Ook vinden wij dat de SDE-regeling op deze manier wordt misbruikt. De locatie van Windpark Noordoostpolder is volgens kenners geschikt voor andere vormen van duurzame energieproductie die voor geen of minder maatschappelijke onrust zorgen. Wij verzoeken u aanvullend onderzoek te verrichten naar zulke alternatieven alvorens tot de bouw van dit windpark over te gaan.
Resumerend: op grond van alle hierboven aangedragen argumenten verzoeken wij u waar nodig aanvullend onderzoek te verrichten en het MER opnieuw te laten aanvullen, opdat bij de definitieve besluitvorming rond het Windpark Noordoostpolder met deze aspecten rekening kan worden gehouden.
C. Zienswijze van toepassing op het ontwerpinpassingsplan
Deze zienswijze betreft de volgende punten. 1. locatie 2. cultuurhistorie en landschap 3. maatschappelijke uitvoerbaarheid 4. veiligheid constructie molens 5. stabiliteit dijklichaam 6. scheepvaartveiligheid 7. milieurisico’s 8. economie 9. geluidsoverlast en lichtvervuiling Hieronder lichten wij deze punten toe.
Ad 1: locatie Hoofdstuk 3.3 (Locatiekeuze) beperkt zich tot alternatieven in het IJsselmeergebied. Het Windpark Noordoostpolder wordt echter van nationaal belang geacht. Er dient dan ook op nationale schaal een afweging te worden gemaakt van mogelijke alternatieve locaties, zowel op land als op zee. Dit is onvoldoende gebeurd.
Ad 2: cultuurhistorie en landschap Het historisch aanzicht van Urk wordt met de komst van het windpark ernstig bedreigt; ook het unieke karakter van de Noordoostpolder wordt geweld aangedaan. Het rapport concludeert dat dit gebied zal ‘transformeren tot energiegebied’, wij lezen: industriegebied! Vanaf het water wordt het dorpsgezicht van Urk aangetast en het uitzicht vanaf Urk zal ingrijpend veranderen. Het schrappen van zeven turbines direct ten noorden van Urk zal het zicht op open water, in vergelijking met het aanvankelijke plan, weliswaar enigszins verbeteren maar dit is ons inziens onvoldoende omdat de 86 resterende turbines vanaf een afstand van 40 á 50 kilometer te zien zullen zijn. Het windpark domineert vanaf zichtlocaties als de A6, Gaasterland en bij aankomst over water het zicht op Urk en het IJsselmeergebied als geheel. Het ‘omheinend effect’, de ‘langgerektheid’ en de ‘nadrukkelijke zichtbaarheid’ waarover het ontwerpinpassingsplan spreekt in paragraaf 6.13.3 gaan in tegen de landschappelijke waarden van dit gebied en het karakter van het IJsselmeer als open, donker en ‘leeg’ gebied. Het belang van deze waarden is door de overheid zelf op diverse wijzen onderkend en ondersteund. Bovendien wordt een Natura 2000 gebied vernield.
Ad 3: maatschappelijke uitvoerbaarheid De bevolking van Urk, van wie het leefgebied ingrijpend zal veranderen door de komst van het windpark, is ondanks beloften van minister Van der Hoeven niet betrokken bij de planvorming. De informatievoorziening richting de Urker gemeenschap is erg laat in het proces, op 4 september 2009, van start gegaan. De manier van besluitvorming resulteert in veel maatschappelijke onrust, waardoor het lokale draagvlak voor het windpark nihil is.
Ad 4: veiligheid constructie molens Het aspect veiligheid van de constructie van de molens en de hiervoor volgens ons vereiste certificatie ontbreekt in het ontwerpinpassingsplan. Hier dringt zich een vergelijking op met de luchtvaart, waar juist sprake is van zeer strenge borging op dit gebied. Een vleugel van het grootste verkeersvliegtuig ter wereld, de A380, heeft een lengte van 40 meter. Dit illustreert de absurde bladlengten van de windmolens van Windpark Noordoostpolder, namelijk respectievelijk 63 en 53 meter. Bij maximaal presteren bij windkracht 6 Bft zijn de krachten die de molens en hun fundatie moeten kunnen verdragen enorm. Dit stelt zeer hoge eisen aan de constructie en ook aan de benodigde sterkteberekeningen. Op eigen initiatief heeft een deskundige zulke berekeningen uitgevoerd en ons zijn rapport aangeboden. In het ontwerpinpassingsplan komen wij garanties en certificatie met betrekking tot de door de plannenmakers gemaakte berekeningen niet tegen. Houdt de overheid hier, net als in de luchtvaart, toezicht op? In het recente verleden is een blad van een bestaande molen langs de A6 afgebroken en bijna op de snelweg terechtgekomen. Als dit zou gebeuren bij een molen van het Windpark Noordoostpolder, brengt dat zeer grote risico’s voor passerende schepen, het land bewerkende boeren of voor omwonenden met zich mee. In paragraaf 6.3 gaat het ontwerpinpassingsplan wel kort in op externe veiligheid. Tot onze verbijstering wordt inzake de buitendijke molens simpelweg gesteld (citaat van pag. 54): Voor buitendijkse locaties is de aanwezigheid van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet relevant. Voor de volledigheid zijn ze toch opgenomen in de tabel. Binnen de contouren bevinden zich geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico heeft derhalve geen invloed op dit plan. Onze vraag: hoe zit het dan met voorbijvarende schepen? En met de mensen op die schepen? En wat te denken van de mensen die straks onderhoud aan deze molens moeten uitvoeren? Zijn schepen geen kwetsbare objecten? Ook maken wij ons zorgen over ijsvorming op de rotorbladen. Hoe wordt dit risico beperkt? Tenslotte ontbreekt in het ontwerpinpassingsplan een onderbouwing van de bescherming van de molens die in het IJsselmeer komen tegen kruiend ijs in de winter. Kruiend ijs heeft een enorme kracht en kan ook tot vele meters hoogte omhoog ‘kruipen’. Met name bij zuidwestenwind zullen de molens het, bij dooi na strenge vorst, zwaar te verduren krijgen.
Ad 5: stabiliteit dijklichaam Het ontwerpinpassingsplan stelt onder 6.7 eisen met betrekking tot de beheersing van grondwaterstromen. Hieruit blijkt dat tijdens de aanleg van het park rekening moet worden gehouden met een grote toestroom van grondwater en ernstige kwel. Bouwputten zullen middels bemaling worden drooggehouden. Tijdens de gebruiksfase wordt middels de trekpalen in de ondergrond voorkomen dat de constructie gaat opdrijven, stelt het plan. Daarop volgt een ons inziens onverantwoord optimistische inschatting van de kwelsituatie (citaat; onderstrepingen door ons): Er wordt vanuit gegaan dat voorkomen wordt dat er langs de palen en de fundering openingen ontstaan waarlangs het kwelwater omhoog kan stromen. Bij de aanleg dient erop te worden toegezien dat zowel de palen als de fundering goed aansluiten op de afsluitende klei- en veenlagen van het bovenste pakket. Zodoende zullen de windturbines nagenoeg geen effect hebben op de grondwaterstroming in de gebruikersfase. Door toepassing van grondverdringende gladde geprefabriceerde betonpalen zal mogelijk kwel ook van tijdelijke aard zijn. De heipalen worden uiteindelijk ingesloten in de betonnen werkvloer en het betonnen fundament wat fungeert als kwelscherm. Uit niets blijkt wat de effecten van de verwachte kwelstromen op het dijklichaam zullen zijn. De veiligheid van 60.000 inwoners van Noordoostpolder en Urk is hier in het geding! Gedegen onderzoek is wat ons betreft op zijn plaats. Het ontwerpinpassingsplan stelt vast dat een deel van het fundament van de binnendijkse windturbines zich zal bevinden in de tussenbeschermingszone conform de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland. Onder verwijzing naar diverse beleidsstukken van het waterschap constateert u zelf dat dit zeer gevoelig ligt. Kennelijk is het Waterschap niet zonder reden beducht voor bouwactiviteiten nabij de dijken. Uw geruststellende mededeling dat niet op de dijken zelf noch in de binnenbeschermingszone zal worden gebouwd of geheid, is een versluiering van de risico’s. In de tussenbeschermingszone wordt namelijk wél gebouwd en geheid. Toegangswegen en kabels komen gedeeltelijk zelfs in de binnenbeschermingszone. Het dijklichaam wordt om nog een andere reden bedreigd, namelijk trillingen. Het ontwerpinpassingsplan bespreekt dit in paragraaf 6.9 onder verwijzing naar de trillingsanalyse in het MER. Zonder kritiek neemt u de ongefundeerde aanname is het MER over dat geen trillingen zullen optreden die de stabiliteit van de dijk beïnvloeden. Wij zeggen: ongefundeerd, want de windturbines voor dit park zijn ontwerpen voor het gebruik op volle zee en zijn nooit eerder in een dergelijk fragiel gebied, nabij zulke belangrijke primaire waterkeringen, geplaatst. De analyse heeft daarmee een puur theoretisch karakter en is dus bij voorbaat minder betrouwbaar. Dan lijkt het een aardige voorwaarde om effecten van trillingen tijdens bouw- en gebruiksfase te monitoren, maar daarmee spant het ontwerpinpassingsplan wel het paard achter de wagen! Als het mis gaat, ben je dan gewoon te laat. Ons inziens wordt hier onverantwoord omgegaan met de veiligheid van de reeds genoemde 60.000 polderbewoners. Ook bij dit onderdeel valt ons de onverantwoord optimistische toon van het ontwerpinpassingsplan op. Zie voor een verdere onderbouwing van onze zorgen op dit punt ook BIJLAGE 2, de zienswijze die wij op 29 september 2009 indienden bij Waterschap Zuiderzeeland.
Ad 6: scheepvaartveiligheid Ten aanzien van dit punt verwijzen wij naar onze zienswijze op het MER en de aanvulling op het MER, zoals eerder in dit schrijven naar voren gebracht. Op dit moment merken wij nog op dat blijkens de aanvulling op het MER extra maatregelen zullen worden getroffen om de nautische veiligheid te verbeteren, zoals extra verlichting, radarreflectoren op de scheepvaartveiligheidsvoorziening en het geel verven van de transitiedelen van de windturbinefundatie, dit laatste zoals gebruikelijk bij offshore (!) windparken. Tegelijk blijft overeind dat de Commissie MER de door intiatiefnemers gehanteerde berekeningsmethodiek voor de scheepvaartveiligheid niet bruikbaar acht. Dat de Commissie MER vervolgens zelf met een aanname schermt, is wat ons betreft een stap te ver. Ook de in bijlage 13 bij het ontwerpinpassingsplan geformuleerde berekening is ontoereikend, zoals de opstellers zelf met zoveel woorden toegeven. Gelet op de enorme risico’s die een onverhoopte aanvaring voor mens en milieu met zich meebrengt, is gedegen onderzoek volgens ons vereist.
Ad 7: milieurisico’s Onder 6.7 gaat het ontwerpinpassingsplan in op de mogelijke gevolgen voor de waterkwaliteit. Echter, tot onze verbijstering beperkt het plan zich hierbij tot mogelijke gevolgen van bouwactiviteiten en het gebruik van de molens zelf. De risico’s voor de waterkwaliteit bij onverhoopte aanvaringen tussen binnenvaartschepen geladen met gevaarlijke stoffen en windmolens komt niet ter sprake. Dit ondanks de kritische kanttekeningen van de Commissie MER op dit punt. Een olieramp op het IJsselmeer mag niet voorkomen. Wie reusachtige windmolens bouwt op enkele tientallen meters van de drukbevaren hoofdvaarroute van Amsterdam naar Lemmer kan daar echter op wachten, ondanks die ene (!) scheepvaartveiligheidsvoorziening bij de Rotterdamse hoek. Ons inziens worden de risico’s voor de waterkwaliteit en de drinkwatervoorziening enorm onderschat. Onder 6.6 onder het kopje ‘Bodem’ wordt in het ontwerpinpassingsplan een overzicht gegeven van het verrichtte bodemonderzoek. Volgens de voorschriften is een nulsituatie-bodemonderzoek verplicht. In het plan wordt bodemonderzoek op de locaties van de turbines welke op het water worden gebouwd en die van het transformatorstation niet vermeld. Dergelijk onderzoek dient als referentie voor een eventuele toekomstige verontreiniging van de grond op deze locaties. Wij achten het daarom belangrijk om op dit punt aanvullend onderzoek te verrichten.
Ad 8: economie In de Toets milieu- en waardenaspecten worden de economische voorzieningen van het IJsselmeergebied inclusief toerisme, binnenvaart, watertoerisme en visserij niet genoemd. Deze sectoren zullen door de komst van het windpark grote schade oplopen. De Urker IJsselmeervissers verliezen belangrijke visgronden. Deze onderwerpen verdienen verder onderzoek.
Ad 9: geluidsoverlast en lichtvervuiling Omwonenden van het geplande windpark zullen geluidsoverlast ondervinden. De geplande molens voldoen niet aan de huidige vigerende geluidsnormen. De invloed van de knipperlichten op de toppen van de 86 windturbines wordt in het ontwerpinpassingsplan kort behandeld in 6.10 onder het kopje ‘Licht’. Volgens de informatie worden de lichten op de gondel bovenop een schotel geplaatst, zodat geen licht naar beneden schijnt. De ontwerpers houden echter geen rekening met het feit dat omwonenden niet onder de turbines wonen, maar op zekere afstand en dus wel hinder van deze knipperlichten zullen ondervinden. Volgens het plan treedt er geen schade op voor fauna omdat er sprake is van ‘een beperkt aantal lichten waarbij uitgegaan wordt van een rode lamp met een lage intensiteit’. Waarnemingen en internationaal onderzoek (zie ook onze zienswijze op het (aanvullende) MER op dit onderdeel) suggereren dat dergelijke lichten wel degelijk schadelijk kunnen zijn voor vleermuizen en nachtdieren. Wij achten het van groot belang dat aanvullend onderzoek wordt gepleegd om deze effecten in kaart te brengen.
Resumerend: op grond van de hierboven door ons aangedragen kritiek verzoeken wij u het ontwerpinpassingsplan aan te passen en waar nodig aanvullend onderzoek uit te voeren.
D. Zienswijze van toepassing op het ontwerpbesluit nummer 9 inzake lijnopstellingen Westermeerdijk buitendijks en Noordermeerdijk buitendijks ‘Besluit als bedoeld in art. 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (‘Wbr-vergunning’)’, bestuursorgaan Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Dienst IJsselmeergebied
Naast het onder A al aangevoerde aspect (verstoring democratisch inspraakproces) betreft deze zienswijze kritiek op de inschatting van de veiligheidsrisico’s van het Windpark Noordoostpolder voor rijkswaterstaatswerken. Onder punt 3 (onderzoek bodemgesteldheid) vraagt het ontwerpbesluit een onderzoek door de vergunninghouder. Ons inziens is die niet onafhankelijk en dient, gelet op de in andere zienswijzen door ons al uitvoerig beargumenteerde risico’s voor de stabiliteit van de polderdijken, dit onderzoek in opdracht van Rijkwaterstaat zelf plaats te vinden. De motivering van het ontwerpbesluit vertoont ons inziens een belangrijke omissie. Deze gaat namelijk slechts in op het vaarwater (IJsselmeer) als rijkswaterstaatswerk. Ons inziens dienen ook de polderdijken mee te worden genomen in de afwegingen bij de aangevraagde vergunning. De polderdijken zijn weliswaar in beheer bij Waterschap Zuiderzeeland, echter het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze primaire waterkeringen. Verder wordt inzake het aspect verlichting uitsluitend gekeken naar mogelijke effecten van de verlichting op de windturbines. De mogelijk negatieve gevolgen voor de scheepvaart van onderbreking van de lichtbundel van de Urker vuurtoren door de molenmasten en hun wieken (vergelijkbaar met slagschaduw) worden niet meegenomen in de overweging. Dit ondanks het feit dat Stichting Erfgoed Urk en Comité Urk Briest dit aspect hebben aangedragen in hun zienswijze op het MER. Ook is door de aanvrager een procedurefout gemaakt, die door de vergunningverlener ten onrechte kennelijk niet is opgemerkt. De aanvraag betrof namelijk ‘het oprichten en instandhouden van het windpark Noordoostpolder’ terwijl in feite de lijnopstellingen Westermeerdijk buitendijks en Noordermeerdijk buitendijks zijn bedoeld. De overige drie lijnopstellingen van wat in de volksmond ‘windpark Noordoostpolder’ wordt genoemd vallen niet onder de strekking van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en hiervoor kan het bestuursorgaan dus geen vergunning afgeven. Tenslotte heeft het Comité Urk Briest al in april 2009 in een brandbrief aan toenmalig staatssecretaris Huizinga van Verkeer en Waterstaat aandacht gevraagd voor de bedreigde veiligheid van de Noordoostpolderdijken en gevraagd om aanvullend onderzoek op dit punt. Zie voor een kopie van deze brief BIJLAGE 3. Op deze brief is tot op heden geen antwoord ontvangen. Inmiddels ligt de brief ter tafel bij de Vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat, die ons heeft toegezegd zich hier na het zomerreces over te zullen buigen. Zolang genoemde brief niet is behandeld kan ons inziens geen besluit worden genomen over de gevraagde Wbr-vergunning.
Resumerend: op grond van het hierboven aangedragene verzoeken wij u het ontwerpbesluit te herzien en de gevraagde vergunning niet te verlenen
E. Zienswijze van toepassing op het ontwerpbesluit nummer 1 inzake alle lijnopstellingen ‘Besluit als bedoeld in art. 16, eerste lid, en 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 , bestuursorgaan College van Gedeputeerde Staten van Flevoland
Naast het onder A al aangevoerde aspect (verstoring democratisch inspraakproces) betreft deze zienswijze het feit dat voor de lijnopstellingen Westermeerdijk buitendijks en Noordermeerdijk buitendijks het fundamenttype nog niet vast staat. Er is slechts een eerste keuze gemaakt voor een viertal fundamentconcepten. Dit maakt ons inziens een goede beoordeling van de gevolgen voor natuur en milieu van de toekomstige funderingen (bouw- en exploitatiefase) niet mogelijk. Op grond hiervan verzoeken wij u de gevraagde vergunning op dit moment niet te verlenen.
ONDERTEKENING
Alle bovenstaande zienswijzen zijn ingediend door de organisaties en privé-personen genoemd in de aanhef. Onderstaande ondertekening geldt voor alle zienswijzen. In afwachting van uw reactie,
Hoogachtend,
Stichting Erfgoed Urk Comité Urk Briest Vormtweg 20-A p.a. Vormtweg 20-A 8321 NC Urk 8321 NC Urk Voorzitter L. van Loosen Oprichter L. de Vries
Privé-personen: T. Roos L. van Loosen L. de Vries
Bijlagen: 1. e-mail verkeer tussen Bureau Energieprojecten en L. van Loosen respectievelijk Comité Urk Briest 2. brief (zienswijze) van Stichting Erfgoed Urk en Comité Urk Briest aan Waterschap Zuiderzeeland d.d. 29 september 2009 inzake windmolens bij waterkeringen 3. brief van o.m. Comité Urk Briest d.d. 3 april 2009 aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, brandbrief veiligheid Noordoostpolderdijken
|
