Voorbeeld Zienswijze

Inspraakpunt Windpark Noordoostpolder

Bureau Energieprojecten

Postbus 3042270 AH  Voorburg   

Betreft: zienswijze MER Windpark Noordoostpolder  

Urk, 11 december 2009   

Geachte heer/mevrouw, 

Hierbij dient ondergetekende een zienswijze in met betrekking tot het Milieueffectrapport (MER) Windpark Noordoostpolder, dat sinds 12 november jongstleden ter inzage ligt. Mijn zienswijze spitst zich toe op de volgende punten: 

1. locatie: er is onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieve locaties

2. cultuurhistorie en landschap: het historisch aanzicht van Urk wordt ernstig bedreigd en ook het unieke karakter van de Noordoostpolder als open gebied wordt geweld aangedaan

3. aardkundige waarden: er is geen rekening gehouden met de aardkundige waarde van De Vormt

4. veiligheid dijken: er zijn onvoldoende garanties dat het Windpark in de bouwfase én in de gebruiksfase de stabiliteit van de dijken van de Noordoostpolder niet in gevaar brengt

5. veiligheid scheepvaart: er is onvoldoende onderzoek gedaan naar het risico van een aanvaring van binnenvaartschepen en visserijschepen met één of meer molens en naar de mogelijke gevolgen van zo’n aanvaring voor het milieu6. economie: de gevolgen voor de regionale economie zijn onvoldoende onderzocht 

Hieronder zal ik deze punten kort toelichten. 

Ad 1: locatie De uitgevoerde onderzoeken zoals in het MER weergegeven beperken zich tot alternatieven in het IJsselmeergebied en alternatieven in de Noordoostpolder. Het Windpark Noordoostpolder wordt echter van nationaal belang geacht, waarom ook de Rijkscoördinatieregeling van toepassing is verklaard en een Rijksinpassingsplan wordt voorbereid (Algemeen Deel MER paragraaf 1.4). Mijns inziens dient dan ook op nationale schaal een afweging te worden gemaakt van mogelijke alternatieve locaties zowel op land als op zee. Dit is niet gebeurd. 

Ad 2: cultuurhistorie en landschap Volgens het MER zijn de effecten op cultuurhistorie en archeologie beperkt. Deze uitspraak wordt niet dan wel onvoldoende onderbouwd.  De cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het beschermd dorpsgezicht van Urk wordt in paragraaf 5.6 van het Algemeen Deel met enkele korte zinsneden afgedaan. Louter met als argument dat de bescherming zich beperkt tot het dorp Urk en niet tot de omgeving. Naar de letter van de wet is dat wellicht correct, echter, vanaf het water wordt het dorpsgezicht van Urk dramatisch aangetast en het uitzicht vanaf Urk over het open water gaat richting het noorden en noordwesten ook verloren. Dat minister Plasterk zijn collega’s van EZ en VROM heeft gevraagd bijzonder alert te zijn op de gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, ook buiten het directe plangebied, en die ten volle mee te wegen (brief Plasterk aan B&W van Urk d.d. 7 april 2009) heeft bij de opstelling van het MER kennelijk geen enkele rol gespeeld. Omstandig wordt in dezelfde paragraaf uitgelegd wat de grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is (beleidsmatig beschermd door Nota Belvedere, Omgevingsplan Flevoland en Kwaliteitskaart Noordoostpolder-Urk). Het MER stelt dat windturbines invloed hebben op de relatie tussen lijnen en landschappelijke structuren en de ruimtelijke kwaliteit (paragraaf 5.6.2). Kennelijk wordt bedoeld: negatieve invloed. Hoe die moet worden beperkt wordt niet duidelijk. Slechts wordt gesteld dat de initiatiefnemers van het windpark ‘op creatieve wijze’ inhoud willen geven aan ‘behoud door ontwikkeling’, zoals Belvedere vereist. Ik vind dit verbijsterend. Een grote onderlinge afstand tussen de molens heeft volgens het MER de voorkeur want dat heeft de minste invloed op de openheid van het polderlandschap (paragraaf 4.5.2). Ook dit is mijns inziens een niet onderbouwde suggestie, die strijdig is met gewoon boerenverstand. Het MER erkent dat het om een veronderstelling gaat, waarover de meningen kunnen verschillen. Video-animatie moet een betere indicatie geven, echter deze is niet overtuigend. Het MER lijkt zelf al te twijfelen, want, zo lees ik, “als de windturbines dichter bij elkaar staan hebben ze meer een begrenzend effect in de beleving” (Korte Samenvatting blz. 12). In gewoon Nederlands betekent dit volgens mij dat het dan echt een hek lijkt waar je achter woont. Maar wie garandeert mij dat ik dat gevoel straks niet heb, bij de grotere afstand? Ik wil dat graag met onafhankelijk onderzoek onderbouwd zien. Ook andere uitspraken worden niet onderbouwd, zoals de stelling dat het verschil in hoogte tussen de diverse typen molens nauwelijks waar te nemen is en de stelling dat grotere molens doordat ze langzamer draaien visueel een rustiger beeld geven. Voor zo’n stelling zul je toch onderzoeksgegevens moeten overleggen en voor zover die er al zijn, zijn ze aanvechtbaar omdat een park van deze omvang en dit type enorme molens nog nergens bestaat. 

Ad 3:  aardkundige waarden Speciale aandacht vraag ik voor de aardkundige waarden (Algemeen Deel paragraaf 5.6.4). Het MER neemt het IJsselmeer niet mee, omdat dit niet is aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Het is echter bij alle geologen bekend, en het zou dus ook bij de opstellers van het MER bekend moeten zijn, dat buitendijks een grote voortzetting ligt van het (wél genoemde) geologisch reservaat P. van der Lijn. Dit reservaat is van zeer grote, internationale waarde. De buitendijkse voortzetting, de Vormt genoemd, is al sinds de Middeleeuwen bij de scheepvaart berucht als steenrif door de enorme eindmorene-keien die hier liggen. 

Ad 4: veiligheid dijken Paragraaf 8 van het Algemeen Deel gaat in op de bouw van de molens. Het aantal funderingspalen per molen op land bedraagt 30 – 140 stuks (afhankelijk van het type molen), de diepte wordt 20-30 meter. Te water worden drie mogelijke funderingstechnieken beschreven: monopile (enorme stalen buis die in de bodem wordt geheid), gravity base (zware betonnen constructie die wordt afgezonken) en damwandconstructie (van damwand wordt grote bouwput gemaakt, waarin fundament wordt gebouwd). De opstellers van het MER lijken te opteren voor deze laatste. In de beschrijving van deze opties vind ik geen woord over het effect van de bouwactiviteiten op de stabiliteit van de dijken en op de kwelstroom naar de polder. Paragraaf 9.14 rept wél over mogelijke effecten op de dijk, die zouden zijn onderzocht, met verwijzing naar bijlage F. Onder voorbehoud van incidenten zou er geen effect zijn. Echter, bestudering van bijlage F leert dat er met name tijdens de bouwfase wel degelijk grote risico’s bestaan voor enorme toename van kwelstromen, waardoor zelfs verdroging van het dijklichaam dreigt.

In paragraaf 11.2 wordt aangegeven dat de initiatiefnemers tijdens de bouw trillingen willen monitoren. Vooraf wordt dus niets gedaan? En wat gebeurt er dan als er iets mis gaat? En hoe zit het met trillingen in de gebruiksfase? Worden die ook gemeten?Vanwege deze verschillende interpretatie van kennelijk hetzelfde vooronderzoek ben ik van mening dat er onvoldoende garanties zijn dat het Windpark geen nadelig effect heeft op de stabiliteit van de dijken van de Noordoostpolder, zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase. In de regio Noordoostpolder-Urk wonen zo’n 60.000 mensen beneden het IJsselmeerpijl. De veiligheid van al deze mensen mag niet in gevaar komen. Een ander aspect is dat de paden op de dijken niet alleen voor onderhoud in gebruik zijn, maar zijn ook als recreatief fietspad. Dit aspect wordt in het MER niet genoemd. Blijven deze fietspaden open voor het publiek? 

Ad 5: veiligheid scheepvaart Volgens het MER is er geen gevaar voor de scheepvaart (binnenvaart/recreatie) en andersom leveren deze ook geen gevaar voor de molens op. Deze stelling wordt in paragraaf 9.15 onvoldoende onderbouwd. Zo wordt bijvoorbeeld benadrukt dat geen informatie voorhanden is om de kans op het uit de koers raken van een schip te bepalen. De gevolgen van mogelijke aanvaringen worden gebagatelliseerd, waarbij slechts ingegaan wordt op fysieke schade aan molens, schip en personeel. De mogelijke gevolgen voor het milieu worden niet genoemd. Wat te denken van een olieramp op het IJsselmeer?Verder wordt niet ingegaan op de veiligheid voor vissersschepen. Dit is toch een vorm van beroepsvaart die op de geplande locaties intensief wordt bedreven. IJsselmeerkotters opereren tot vlak onder de kust. Ook houdt het MER geen rekening gehouden met het effect van de lichtbundel van de Urker vuurtoren, die een bereik heeft van 31 kilometer. Zodra deze bundel op de windmolens valt, zal dat leiden tot slagschaduw en mogelijk een levensgevaarlijke situatie voor de scheepvaart in de vlakbij liggende vaargeul. 

Ad 6: economieVolgens het MER is het plan gunstig voor de economie, gelet op vereist onderhoud van het park en mogelijke participatie de bevolking. Echter, de negatieve economische effecten worden niet genoemd, zoals negatieve gevolgen voor watertoerisme en visserij. Slechts wordt gesteld dat daarop naar verwachting geen negatief effect is. Elke onderbouwing in dit verband ontbreekt. Ook is het de vraag wat een park vlak langs de vaargeul betekent voor de verdere ontwikkelingsmogelijkheden van de binnenvaart. Verwarrend is ook dat in paragraaf 11.2 (tabel 11.2) wordt aangegeven dat uit het oogpunt van nautische veiligheid de beroepsvaart verplicht wordt om gebruik te maken van de vaargeul, of de buitenzijde van de vaargeul (niet de kant van de windmolens). De recreatievaart mag ook niet tussen de windmolens doorvaren. Geldt dit ook voor de visserij? Zo ja, dan missen de IJsselmeervissers hun belangrijkste visgronden. Dat het MER in het Algemeen Deel onder paragraaf 12.2.8 (leemten in kennis) stelt dat geen cijfers over visvangsten op locaties beschikbaar zij, kan geen argument zijn. Dan moet men beter onderzoek doen, bijvoorbeeld door de IJsselmeervissers te enquêteren. 

Op grond van de hierboven door mij aangedragen kritiek verzoek ik u het MER aan te passen en waar nodig aanvullend onderzoek uit te voeren. 

In afwachting van uw reactie, 

Hoogachtend,   

Naam:               

Adres:            

Postcode en woonplaats:     

 Handtekening:   

 

Laatste Tweets

Uw mening:

Windpark Noordoostpolder...
 

Mede mogelijk door:

Banner